Ik ben een dankbaar mens
Als ik dit zeg, volgt meestal onmiddellijk de vraag: ‘Waarvoor dan?’ Dat verraadt iets over de manier waarop wij hebben leren denken. In onze eerste perceptie moet dankbaarheid een denk-inhoud, een reden, hebben. Dankbaar – Hoezo? Waarom?
Onze eerste perceptie is die van een persoonlijkheid die opgevoed is in een maatschappij waarin wijsheid losgezongen is geraakt van haar bedding in liefde en daardoor een vernauwing heeft ondergaan. Wijsheid is gaan samenvallen met haar instrument in deze duale wereld: het denken. Vandaar dat wij vrijwel automatisch naar het ‘waarom’ van de dingen vragen. We hebben geleerd om alles in eerste instantie causaal te benaderen.
Causaal denken is natuurlijk prima, zelfs onmisbaar. De vraag is niet óf we het gebruiken, maar of we de vrije keuze hebben het ook níét te gebruiken. En dat is nu juist het punt: die vrijheid hebben we in de loop van vele eeuwen afgeleerd.*
Onze programmering is de andere kant op gegaan. Voor de meeste mensen geldt alleen wat cognitief aantoonbaar is als werkelijk. Wat een verarming.
Als we teruggaan naar ons hart,** naar vóór de vernauwing, ervaren we iets dat oneindig veel rijker is. Ik bén een dankbaar mens. Niet ergens om. Niet ondanks iets. Ik voel dat nu. In iedere cel, in al mijn poriën. Punt uit.
In ons hart herkennen wij ons zelf als liefde en wijsheid — niet één, niet twee.
Wanneer wij weer leren om onze verstarde wijsheid even te laten rusten en rechtstreeks aandacht te geven aan de liefde in ons, ervaren we dit: pure dankbaarheid. Geen oorzaak, geen gevolg. Alleen maar dit: deze ene ademtocht, dankbaarheid, nu, hier, overal, in mij, om mij heen. Zoals ik mij deze psalm herinner:***
Gij doorgrondt en kent mij,
Gij kent mijn zitten en mijn staan,
Gij doorziet van verre mijn gedachten,
Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd.
Want er is geen woord op mijn tong,
of zie, Gij kent het volkomen.
Gij omgeeft mij van achteren en van voren,
Gij hebt uw hand op mij gelegd.
Dit te begrijpen is mij te wonderbaar,
te verheven, ik kan er niet bij.
Steeg ik op naar de hemel, Gij zijt daar,
legde ik mij neer in het dodenrijk, zie, Gij zijt daar,
nam ik vleugelen van de dageraad,
ging ik wonen aan het uiterste der zee,
ook daar zou uw hand mij geleiden,
uw rechterhand mij omvatten.
Mijn christelijke jeugd blijkt in mijn ouderdom een telkens weer verrassende bron van zegeningen te zijn. Als ik deze woorden hardop voor mij uit zeg, ben ik weer daar, ben ik weer dat kleine meisje, dat zich gekoesterd weet, zonder zich af te vragen hoe of wat, in Gods veilige armen.
God als aanwezigheid.
Liefde die draagt en wijsheid die doorgrondt.
Tat tvam asi. Jij bent Dat.****
Ik ben Dat.
Dankbaarheid en overgave.
*Zie mijn boek Veilig zonder adres (verschijnt november 2026)
** Zie mijn boek De Bloem (2022)
***De Bijbel, psalm 139, vrij naar de vertaling van 1951.
****Eén van de beroemdste uitspraken uit de Indiase traditie (Chandoga Upanishad, ontstaan tussen de 8e en 6e eeuw v.Chr.).